Erica betekent heidebloempje!

Erica betekent heidebloempje!

Voor Zuivelfabriek Erica in Zelhem was de aanvoer van melk van groot belang. Hoe ging dat er zo'n vijftig jaar geleden aan toe?

Wim Teerink (1939) woont buiten Halle op een oude boerderij. Hij barst van de verhalen over de periode dat hij werkte voor Zuivelfabriek Erica in Zelhem en de tijd dat hij zelfstandig venter was. Hij is een makkelijk prater. Die eigenschap is hem altijd goed van pas gekomen, want contact leggen met klanten was cruciaal. 

Melkritten afmijnen
“Deze week is het 48 jaar geleden dat ik ben begonnen bij Erica. Ik was melkrijder en melkventer. Vroeger moest je de melkritten ‘mienen’, afmijnen. Eens in ’t jaar moest je naar het Witte Paard in Zelhem. Dat was altijd een zenuwachtig gedoe en het was afwachten of je een rit meekreeg. Als je geen rit kreeg: nou, dat was niet leuk. Er werd niet eens zoveel aan verdiend, maar je had vastigheid. Ze begonnen met zes gulden en dan tien, zes, twintig, zes, dertig. Als je ‘mien’ zei, dan had je de rit. Maar, een ander kon hem ook pakken. Dan was je hem kwijt. Je verdiende met zo’n melkrit daags acht, negen gulden.

Met paard en wagen
We gingen ’s morgens met paard en wagen om half zeven weg tot een uur of tien, half elf. Er waren hier grote boeren. Als je tien boeren had, dan had je de wagen vol met melkbussen. Dertig liter in een bus. Ik haalde de melk op in melkbussen. Die bracht ik naar de fabriek en die moest je in het begin zelf afladen. Later kon je ze zo op de lopende band zetten. Dat was de vooruitgang. Als de wagen leeg was, moest je ietsjes aanrijden en dan kon je de lege bussen weer op laaien. Dat duurde een kwartiertje. Ze werden automatisch gespoeld.

Terug naar de boer
Er werd soms karnemelk, ondermelk of wei in de bussen terug gedaan. Grote boeren met een hoop kalveren bestelden dat telefonisch op kantoor: ‘Ik wil elke dag honderd liter wei hebben, of tweehonderd.’ Het melkgeld moesten we ook meenemen. Dat ging in een envelop in de melkbus of het werd vastgeklemd onder de deksel. De roomboter, Erica heette die, werd ook terug gebracht naar de boeren. Als het warm was, deden we het in de lege bussen. Anders dan smolt het. Erica betekent heidebloempje, hè? De ene boer had drie kilo in de week en de ander twee. Ik weet het nog precies. Mijn vader zei altijd: ‘Je moet roomboter eten, anders moet je je schamen voor je eigen koeien.’ Maar er waren ook wel grote boeren die zo zuinig waren, dat ze geen roomboter aten. Maar ik noem natuurlijk geen namen hè?

Bussen als een spiegel
Thuis moesten we vroeger melkbussen wassen. Achter het huis onder de pomp en later de kraan. We wasten ze met een borstel. Als je ze helemaal blinkend wilde hebben, schuurde je met zand, fien zand. Sommige mensen hadden hele vieze bussen en bij sommige mensen waren ze net een spiegel, zo mooi. Dat was de buitenkant, maar de binnenkant was voornamer. Daar werden ze op afgerekend. Er werden monsters genomen. Klasse één, twee en drie. En als je klasse drie had, nou dat was niet best. Dat kostte geld! Als je klasse één had, dan kreeg je wat extra en klasse twee was denk ik gewoon.

Onder de mensen
Arendsen, de directeur van de fabriek, zei eens: ‘Je kunt wel voor halve dagen op de “botterfabriek” komen.’ Dat heb ik gedaan. Ik kwam op de melkontvangst. Dat was een kabaal met die lopende band! Die bussen moest je dan altijd weer schoon spuiten. Ik vond daar niet veel aan. Dat heb ik veertien dagen gedaan. Toen zei Arendsen: ‘We moeten eigenlijk nog iemand hebben om een paar uurtjes te venten en andere venters losse melk na te brengen. Is dat niet wat voor jou?’ Dat leek me wel wat. Buiten, onder de mensen. Dat vond ik leuk.

Kaas op vrijdag
In de fabriek werd een hoop kaas gemaakt. Kaas verkochten ze alleen vrijdags op bestelling. Dat was goeie kaas hè? In de winkel kon je niet zulke kaas krijgen als bij ons. Ik verkocht veel kaas. Ik heb wel eens gedacht: ik kan haast van de kaas leven, zoals ik het toen verkocht. Elke vrijdag werd een grote krat gepakt. Daar werden netjes alle namen op gezet; Jansen, Pietersen. De prijs stond erbij. En vrijdagavond was je alles kwijt.

Een borreltje bij Lovink
In het laatste jaar bij Erica waren er twee melkrijders, dat waren twee zwagers. Op zaterdagavond moesten ze ook melkrijden, anders kreeg je zure melk. Op de terugweg gingen ze bij café Lovink even een borreltje drinken. Dat zat vol met jongens, van die vrijgezellen. Die zeiden tegen elkaar: ‘Weet je wat? We zetten een paaltje onder de dissel van de aanhangwagen en we halen de pin eruit.’
Borreltje gedronken, de zwagers rijden weg en de aanhangwagen blijft staan! Mooi verhaal hè?

Het bleef melkboer
Na zo’n vier jaar, in 1980 ben ik voor mezelf begonnen met venten. Achteraf denk je: ik had het veel eerder moeten doen. Toen waren de tijden nog goed. Je verkocht een hoop melk en kaas. Ja, de eerste jaren was het goed verdienen. Ik heb er nooit spijt van gehad, ook al was het hard werken. In Lichtevoorde stond op een dag een tweedehands winkelwagentje. Dat hebben we gekocht. Toen verkochten we van alles: bier, wijn, koffiemelk en veel kaas. Nou heeft een winkelwagen meer levensmiddelen, maar het bleef ‘melkboer’. Dat heb ik zowat veertig jaar gedaan. Tien jaar geleden ben ik gestopt. Maar mijn zoon, die doet het nog!”

Dit verhaal is onderdeel van het oral history project Gemaakt in Gelderland. Oral history is een interviewmethode die de herinneringen van mensen vastlegt. Margreet Gründemann heeft het verhaal van Wim Teerink opgetekend voor Museum Smedekinck.

 

alle activiteiten