“Wij doen puur handwerk”

“Wij doen puur handwerk”

Smid Willem Oldenhave vertelt over het ambacht

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw kocht Willem Oldenhave’s vader een smederij. Werken met ijzer werd Willem dus met de paplepel ingegoten. De ambacht van het smeden leer je al doende volgens Willem. Daarom zou de ambachtsschool wat hem betreft terug moeten komen. Zo creëer je echte vaklui die kwaliteit leveren.

Negentiende-eeuws bedrijf

“Het bedrijf bestaat volgens de berichten officieel sinds 1854. Toen is het geregistreerd. Er zijn nog ouwe kasboeken uit 1825, die heb ik zelf gezien. Toen was het bedrijf denk ik nog niet geregistreerd. De smid was toen geen Oldenhave. Dat was smid Notten en nog een andere - Huisman dacht ik. Mijn vader heeft het rond 1950 overgenomen. Smederij Oldenhave bestaat vanaf 1955 in Delden. Wij zitten hier in Vorden vanaf 2005. De smederij in Delden was waar dat witte huis nu staat. Mijn vader heeft aan de rechterkant een nieuw huis gebouwd. Hij heeft met de toenmalige baron Westerholt overlegd of ‘ie een stukje grond in erfpacht kon krijgen.

Wat de smid vroeger deed

Wat smeden vroeger deden was paarden beslaan en landbouwwerktuigen onderhouden. Ze onderhielden ook de onderdelen van de combine en pers van de buurtvereniging. Stel dat er ’s avonds een combine kapot ging, of een binder of wat dan ook, dan moesten zij er naar toe. Ploegscharen maken werd ook door smeden gedaan. Dat doen we af en toe nog wel eens, bijvoorbeeld voor van die ploegwedstrijden. Vroeger maakten smeden ook veel sluitingen en draaimechanismes voor de koeien- en varkensstallen. Die werden slecht behandeld dus dat verroestte en moest geregeld opnieuw gemaakt worden.

Massahekjes

Vroeger hadden ze sierhekken. Wij doen nou de restauratie. Moet je nou eens kijken wat hier van het Medler staat. Ja, dat is gewoon een sierhek. Vroeger werd er meer geld uitgegeven voor krullen én eigengemaakte krullen. Tegenwoordig heb je al die massahekjes. Allemaal dezelfde krullen. Allemaal dezelfde puntjes. Het wordt een beetje gelast, maar het is allemaal rommel. Die nieuwe hekken worden nou weer gerestaureerd en voor het grootste gedeelte uit elkaar gehaald. Dan worden ze weer in mekaar gezet en tussen de delen komt iedere keer een verflaag. Vroeger werden ze nat op nat in elkaar gezet. Dat is het beste wat er is.

De kroonluchter boven de koning

Wij hebben onder andere de kroonluchter gemaakt die in Den Haag boven de koning hangt. In het verleden hadden ze er acht kroonluchters hangen, maar één was er weg. Men weet ook niet waar die gebleven is. Die moest dus nieuw gemaakt worden. Toen hebben we die andere er ook allemaal afgehaald. Daar hebben we allemaal nieuwe bevestigingen aangemaakt. We hebben ze getest op eventueel vallen en zo, met zandzakjes. Toen hebben we er nieuwe stangen aangemaakt en weer opgehangen.

Wij doen puur handwerk

Dat was nog zo’n mooie. Van tevoren moest er dus een prijsopgave worden gemaakt voor Den Haag. Mijn zoon en ik gingen er naar toe. Daar liepen ook een paar Haagse smeden en die zeiden: ‘Oh joh, dat doe je zó en dan maken we het zó, oh voor mekaar!’ Ik zei tegen mijn zoon: ‘Dat kan voor ons niet wat worden, want die jongens hebben alles al voor mekaar en wij moeten alles met de hand doen.’ Maar op een gegeven moment kregen wij de opdracht. Toen vroeg ik vroeg waarom zeiden ze dat de Hagenezen het niet konden maken, omdat er spullen bij zaten die met de hand getikt moesten worden. En dat konden ze niet. Ja, wij doen puur handwerk.

De enige smederij die dit kan

Vroeger had je loodmenie en dat zat perfect. Tegenwoordig heb je wel loodmenie ‘with no plumb’: met zonder lood! Haha! Dus er zit geen lood in, maar wél in de naam. We hebben nou een zinkgebeuren wat net zo goed is. Wij hebben laatst ook voor de stoomtrein Hoorn-Medemblik weer een opdracht gekregen. Toen die man hier kwam, kreeg ‘ie tranen in de ogen. Hij zei: ‘Jullie zijn de enige smederij in Nederland die dit kan. We kennen nog wel iemand die het ook kan, die zit in Engeland. Maar die is heel arrogant.’

Je leerde al doende

Vroeger werkten er hooguit twee of drie man in die kleine bedrijven. Er was ook niet meer werk. Toen was de concurrentie anders. Nou zijn al die smeden overleden. Bij ons werkten als knecht Henk Bloemendaal, Jos Berentsen van de klompenmaker en Hans Vruggink. Hans Vruggink is nou gepensioneerd, maar hij was op een gegeven moment een van de toppers bij Kramp. Kramp maakt onderdelen voor de landbouwwerktuigen in Varsseveld. Die mensen kwamen met vijftien, zestien jaar in het bedrijf en ze leerden het vak al doende. Dat moet weer gebeuren. Daar is in Nederland een tekort aan. Nederland gaat er nu kapot aan dat er geen opleiding meer is. Ik vind dat de ambachtsschool terug moet komen.

Er is niemand meer

Nu leert iederéén. Degenen die eigenlijk naar de ambachtsschool moeten, gaan nu naar de MAVO. Die jongens gaan leren en draaien dan zo’n beetje onderin mee. Ze komen nooit aan een baan, kunnen niet terugvallen op een vak. Laatst hadden ze het er over dat er vijfhonderdduizend MBO’ers waren. Die krijgen waarschijnlijk nooit een baan. Die jongens hebben ook geen basis. We hebben nu een leerjongen die twee jaar bij ons is. Wij willen er eventueel een jonge jongen bij. Maar er is niemand meer.

Het ligt aan de moeders

We hebben Het Beekland gevraagd, want ambachtsscholen zijn er helemaal niet meer. Er is één meisje dat in de tweede klas zit, die wil misschien smid worden. Maar verders is er niks. Dat is een verdrietige zaak. Echt verdrietig. Het ligt aan de moeders. Ja, dat heeft men onderzocht, de moeders willen liever niet dat hun kind in een vak gaat, dat ‘ie zwart wordt. Alle mensen die hier komen kijken vinden het fantastisch. Echt alle mensen. ‘Jonge, jonge wat is dit mooi.’ Maar zo gauw als ze horen dat ze zwart worden dan kómen ze niet eens meer.

Het is een echt familiebedrijf

Maar nou heeft mijn zoon Erik het overgenomen. Hij heeft het vak hier geleerd. We hebben wel eens zitten denken of hij ergens anders moest meelopen, maar de onderlinge verhouding tussen ons twee is perfect. Wat zijn oog ziet, maakt zijn hand. Hij is een super-smid. Hij is echt fantastisch. Tegenwoordig moet je weten van allerlei wetgeving en zo. Dat doet mijn vrouw en zijn vrouw. Kijk, en hij is een vakman. Het is echt een familiebedrijf. We zetten alle zeilen bij, maar het is soms moeilijk. Met al die wetjes en regeltjes.

Pang pang pang

Ik was eerder op school de beste van de hele klas met smeden. Volgens mij heb ik voor de hele klas examenwerkstukken gemaakt. Want de één slaat anderhalf uur over een stukje ijzer en daar heb ik vijf minuten voor nodig. Dat is met Erik precies hetzelfde. Je ziet gewoon waar je slaan moet en pang, pang pang; klaar! Wij hebben zelf nooit gepusht, nooit. Wij hebben hem helemaal vrij gelaten.
Hij heeft nog voor de Graafschap gevoetbald en hij is daarmee opgehouden, omdat-ie smid wou worden. Hij koos niet voor voetbal.

Een smid met hersens

Aan het eind van de tweede klas kwam de leraar bij ons. Hij zegt: ‘Dat is een smid met hersens.’
Dat is belangrijk. Vooral in deze tijd met al die wetjes en verplichtingen. Je wordt echt verdrietig van wat je allemaal moet. Kijk, alles wat omschreven moet worden, dat heeft niks met kwaliteit te maken. Helemaal niks. ‘Wie schrijft, die blijft.’ Maar dat is niet zo. Ik vind dat er veel minder geschreven moet worden en veel meer kwaliteit gemaakt moet worden. Het is gewoon afschuiven van de verantwoordelijkheid. We maken nu van die dakhaken waar monumentenwachters aan hangen. Die dingen kunnen wel een olifant of twee, drie dragen. Alleen het monteren dat hoeft niet gecertificeerd te worden! Ze certificeren de verkeerde dingen.

IJzer opruimen op de lagere school

Vroeger werd er 10 tot 12 uur gewerkt op een dag. Zes dagen in de week. Ja, wij kenden ook niet anders hè? Ik weet dat wij vanaf de lagere school al ijzer moesten opruimen en schilderen. We hebben er gewoon ons hele leven meegewerkt. Mijn broer en ik. We werden door mijn vader wel een kant op gepusht. Ik moest naar de centrale verwarming kant, want dat wou ‘ie er ook graag bij hebben. En mijn broer moest meer de metaalkant in. Dus ik ben gediplomeerd CV monteur. En mijn broer ging naar Ten Have. Die deden in de silo’s laswerk en dergelijke dingen. Toen mijn vader in ’83 stierf hebben we het nog een jaar samen gewerkt. Maar het verschil was te groot tussen ons, dus zijn we uit elkaar gegaan. Hij heeft de installatiekant genomen en heeft Klein Lebbink overgenomen en ik heb de smederij gedaan.

Mijn vader was de baas

De knechten hadden vroeger geen invloed op beslissingen in het bedrijf. Mijn vader was de baas. Hij besliste alles en dat doe ik in principe ook. Nu probeer ik het een beetje over te laten aan mijn zoon. We overleggen ook met elkaar. Dan zeg ik: ‘Hoe denk jij erover?' Het gaat gewoon in harmonie met mekaar hier. We moeten het samen doen. Nou bepaalt Erik veel, maar we doen dat wel in overleg met de jongens.

Puur op de vaktechnische manier

Ik ben 61. Momenteel heb ik een spierziekte en volgens de neuroloog ben ik de enige in Nederland die werkt met deze ziekte. Ik werk nog 5 tot 6 uur mee in de werkplaats, een beetje rustiger aan. Ik kan de armen niet meer boven het hoofd krijgen en zo. Het beuren gaat nog wel. We hebben hulpmiddelen en wij zijn hier met een man of zes in de werkplaats dus er kan altijd een ander helpen. Wij timmeren niet aan de weg via reclame, of wat dan ook. Wij doen dat puur op de vaktechnische manier. Wij kunnen praktisch alles maken en dat spreekt zich rond. Wij hebben wel veel krantenberichten gehad. En dan weten ze ons dus te vinden. Ja kwaliteit hè? Vakmanschap. Vakmanschap.”

Dit verhaal is onderdeel van het oral history project Gemaakt in Gelderland. Oral history is een interviewmethode die de herinneringen van mensen vastlegt. Het verhaal van Willem Oldenhave is opgetekend door Margreet Gründemann, lid van de werkgroep Oral History Gelderland.

alle activiteiten