Al vier generaties werken aan en met touw

Al vier generaties werken aan en met touw

In touwslagerij Steenbergen te Gorssel wordt de familietraditie voortgezet en het oude ambacht – hoewel niet helemaal als vroeger – nog steeds uitgeoefend.

Vader Gerrit en zoon Albert Steenbergen vertellen over het ambacht van touwslaan en hoe dit in de loop van generaties is veranderd. Vader Gerrit vertelt hoe het allemaal begon:

Het begin van de twintigste eeuw

“Mijn opa werkte als (touw)slagersknecht vanaf 1892. Omdat er geen opvolger voor het bedrijf was, kon hij in 1900 de zaak overnemen en voor zichzelf beginnen. Dat deed hij in Eefde, waar nu de spoorbrug over het Twentekanaal is. Toen dat kanaal in 1930 werd gegraven moest hij verhuizen en ging naar Gorssel. Niet ver van hier kwam het bedrijf, de Lijnbaan herinnert nog aan die tijd. Vanwege een nieuw te bouwen wijk moesten we weer verhuizen. Zo zijn we in 1959 naar deze plek gekomen.

Touw voor de boer en matroos

Er is veel veranderd in al die jaren en het beroep touwslager bestaat bijna niet meer. Mijn opa was een echte boerentouwslager. Je had touwslagers voor de scheepvaart en je had touwslagers voor de boerensector. Die voor de scheepvaart zaten allemaal bij havens, want zeker op die oude schepen hebben ze veel touw nodig. Zoals nu ook weer op de Batavia, daar zit 30 ton touw.

Leidsels voor de strontkar en de koets

Iedere scheepswerf had vroeger z’n eigen touwslagerij. Maar wij zaten op het platteland en moesten het van de boerensector hebben. Daar was een heleboel nodig, alleen aan leidsels al. Je had ploegleidsels, tweepaards-, driepaards- en vierpaards. Je had leidsels voor de strontkar en voor de gewone grote wagen. En dan nog hele mooie leidsels voor als ze naar de kerk gingen, voor de mooie koets, waar vaak nog paardenhaar in gevlochten moest worden.

Opa’s ambacht

Mijn opa deed alles nog met de hand en ging zelf naar de markt om hennep en vlas te kopen. Dat ging als volgt. Het vlas werd gemaaid en gedroogd op schoven. Daarna werd het gerepeld waardoor het zaad eraf ging. Dat zaad werd geperst en dan kreeg je lijnolie. De vlasstengels werden in het water gegooid, het zogenaamde rotten. Dan werd het in bossen weer bewerkt, dat heet het kneuzen of braken. Je hield dan een vezel over. Die vezel werd gekamd, of gehekeld. Tot slot werd die vezel gesponnen tot een garen.

Spinnen met de hand

Mijn opa had 3 hekels naast elkaar, van grof tot heel fijn. Om de vezel te spinnen deed hij het om zijn buik. Het andere uiteinde werd vastgemaakt aan een haakje aan een groot rad. Opa had behalve een schort voor, een paar vette lappen naast zich hangen om zijn vingers vet te maken. Dan liep hij achteruit de touwbaan af. Zo werden de draden met de hand gesponnen. Als er genoeg draden waren gesponnen kon hij z’n boerentouw maken. Als dat klaar was legde hij het touw op de platte wagen en liep naar Deventer of naar Zutphen waar hij het verkocht. Dan begon het weer opnieuw.

Ik heb wat moeten zeulen

Later veranderde dat. Mijn vader kocht klossen garen in waar we touw van maakten. Mijn vader maakte zijn eerste garenrek van een fietswiel. Daar zaten zo’n dertig garens op die ik naar achteren moest trekken. Mijn vader zat dan aan de achterkant te drukken. In die baan zat een hoogteverschil van een meter. Dus dan moest je eerst naar beneden toe en dan weer naar boven die bult op. Ik heb wat moeten zeulen! Toen ik in militaire dienst ging, moest een ezel de garen trekken. Dat ging moeilijk want die ezel was zo eigenwijs! Die kreeg je vaak niet aan de gang. En je mag niet stilstaan, dan krijg je teveel draaisel. Ja, het was een heel gedoe om die ezel aan de praat te krijgen."

Zoon Albert vertelt over de veranderingen en het huidige werk:

Mindere kwaliteit, daar beginnen we niet aan

“Toen het met de boerensector minder werd, gingen we over op sporttouw. In 2006 kregen we het heel druk. Er kwam een nieuw kabinet en daarmee meer aandacht voor gymnastieklessen. Ik moest twee jongens van het uitzendbureau aannemen om het werk klaar te krijgen. De meeste orders zijn nog steeds klimtouwen en klimrekken. Die touwen gaan gemiddeld zo’n 20 jaar mee. Er is wel eens gevraagd om een mindere kwaliteit te maken, maar daar beginnen we niet aan.

Maatwerk

We werken tegenwoordig ook voor ontwerpers. We leveren onder anderen aan Christien Meindertsma. Dat is vaak bijzonder touw, speciaal gedraaid voor wat zij wil maken. Touw voor de lampen moet bijvoorbeeld vierstrengs, zijn omdat de elektriciteitsdraad erdoorheen moet. Touw voor een poef of een kleed is weer anders. Alle orders bestaan uit maatwerk”.

Dit verhaal is onderdeel van het oral history project Gemaakt in Gelderland. Oral history is een interviewmethode die de herinneringen van mensen vastlegt. Het verhaal van touwslagerij Steenbergen is opgetekend door Stance Westerhoud, vrijwilligster bij de Werkgroep Oral History Gelderland.

Meer informatie: www.touwslagerij.com

 

alle activiteiten