Het leven op een stoomgemaal

Het leven op een stoomgemaal

Leo Greep is de zoon van een machinist. Hij heeft zijn kinderjaren op twee verschillende stoomgemalen in het land van Maas en Waal doorgebracht. Tegenwoordig is hij nog zeer betrokken bij het wel en wee van stoomgemaal De Tuut.

Het is stormachtig weer. In het ketelhuis is het lekker warm. Op de ketel sissen de veiligheidskleppen. Op de achtergrond hoor je de machine in een rustig tempo zwoegen om het polderwater naar de Maas te jagen. Voor de ketel staat de stoker met een grote tabakspruim achter zijn kiezen en spuugt met een sierlijke bruine straal in het kolengruis. Er hangt een zachte lucht van heet staal en verbrande steenkool. Het is een heerlijk aroma dat alleen maar kan ontstaan in een ketelhuis.

Vader de machinist
Ik ben in 1933 geboren en heb het leven op het stoomgemaal in mijn jonge jaren zeer intensief meegemaakt. Ik heb er overwegend goede herinneringen aan overgehouden, maar ik wil het beslist niet romantiseren. Mijn vader was tot 1919 machinist op het stoomgemaal van Acquoy gelegen aan de Linge. In 1919 werd hij machinist voor stoomgemaal Maasbommel, waar hij € 325 per jaar verdiende. Hij heeft er tot 1946 gewerkt. Na 1947 werd mijn vader machinist van het stoomgemaal De Blauwe sluis, dit gemaal is in 1953 stilgelegd en kort daarna ontdaan van haar installatie.

De zwarte wal
De steenkool werd per schip over de Maas aangevoerd en vervolgens op de Maaskade overgeladen op karren, die getrokken werden door een of twee paarden. Deze karren reden moeizaam over de onverharde zwarte wal naar het stoomgemaal. Door het verlies van kolen en kolengruis op deze wal ontstond de naam zwarte wal. Dit in tegenstelling tot de ertegenover liggende groende wal die begroeid was.

Tijd om te malen
Het bestuur van de dorpspolder behoorde te zeggen wanneer er gemalen moest worden. In de praktijk werd die beslissing meestal door mijn vader zelf genomen. Het hele jaar door zeurden boeren bij mijn vader over de waterstand bij hun weides en akkers. Dan was het te hoog voor de één en weer te laag voor de ander. Van een gereglementeerd peilbesluit was nog geen sprake.

Hannes de Potter
Na een flinke regenperiode in België en Limburg, steeg het peil in de Maas zo dat een natuurlijke waterlozing niet meer mogelijk was. Mijn vader moest op zo’n moment het gemaal opstarten. Hij zei dan: “Er drijven boeren voor het krooshek, dus ik moet aan de gang”. Ik of één van de andere kinderen werd dan naar Hannes van Toor (bijgenaamd Hannes de Potter) gestuurd om hem te zeggen dat hij moest komen stoken. Hannes woonde in Maasbommel in een armzalig klein huisje.

Vuur aanjagen
Met een nogal zware houten kruiwagen ging Hannes in de veel lager gelegen kolenloods kolen halen, die vlak voor de vuurmond op de grond werden gekieperd. Met een smeedhamer werden de grote bonken tot de juiste afmetingen geslagen en met een schop op het brandend vuur gespreid. Voor een goede trek moest zowel de rookschuif als de luchttoevoerklep juist worden afgesteld. Teveel trek blies het vuur uit en te weinig deed het doven.

Blauw van de rook
Het kon gebeuren dat het vuur niet aan ging, omdat er in de schoorsteen zware vochtige lucht hing. Dan werd het kleine stalen deurtje beneden in de schoorsteen geopend en ging daar een bos hout doordrenkt met petroleum naar binnen en werd het met een plof aangestoken.
Door de hitte werd de vochtige lucht uit de schoorsteen gedreven. Daarna kon er, in het inmiddels blauw geworden ketelhuis, opnieuw worden opgestookt.

De machinekamer
De machinekamer was mijn vaders trots. Hier mocht eigenlijk niemand komen. Zo somber als het ketelhuis was, zo fraai was de machinezaal: een mooie dakafwerking met gesneden profiel aan de spantbenen, witte wanden met een rode plint en bies. In de hoek stond een donkergroene kast. Op de bovenste plank stond een grote Brocadus-verbandtrommel met veel spalken en snelverband. Op een plank daaronder lag een keurig opgevouwen bruin-witte overal, brandschoon. Deze werd een maal per vier jaar gebruikt door de inspecteur van het Stoomwezen, die kwam controleren of de stoomketel nog aan de eisen voldeed.

Op stoom
Wanneer de machine op bedrijfstemperatuur was, kon de centrifugaalpomp met water worden volgezogen. Hannes klom dan via een houten ladder op de stoomketel en draait een stoomafsluiter open. De stoom ging via een dikke geïsoleerde buis naar een venturi bovenop de centrifugaalpomp. Het daar ontstane vacuüm zoog het water centrifugaalpomp naar boven. De stoommachine begon dan volledig te draaien, en dat was duidelijk te horen.

Vol met paling
Op een dag zat mijn vader op een wankele stoel en De Gelderlander te lezen. De groene ketelhuisdeur ging open en daar kwam mijn moeder met drie bekers chocolademelk. Ik kreeg er ook een. Mijn vader stond op en ging naar buiten met de stormlamp: “Ik ga even naar de fuiken kijken.” Even later kwam hij Hannes halen. De fuik die barstens vol zat met paling moest worden geleegd. Paling ving je niet altijd. Soms ving je helemaal niets, bijvoorbeeld met een heldere maan. De vis werd verkocht aan een man uit Heerewaarden. De netto opbrengst was voor de machinist en stoker.

Verdriet
Veel verdriet had ons gezin in de winter 1925-1926 toen het land van Maas en Waal werd getroffen door een watersnood. Daarbij ging praktisch alles verloren. Rond het huis was alles water. Gevaarlijk voor kleine kinderen. Ondanks alle voorzieningen verdronk er een zusje op twee jarige leeftijd. Dat was verschrikkelijk.

Ver van de kern
Het leven van een machinist op een stoomgemaal betekende bijna altijd wonen in een buitengebied ver van een dorpskern. De afwatering en sluizen van de afwateringskanalen waren gelegen op het laagste punt van een gebied, eigenlijk ongunstig voor bewoning. ‘s Winters wanneer het flink gesneeuwd had zat je aan het eind van die wallen absoluut gevangen. Het duurde soms meer dan een dag voordat je weer naar de bewoonde wereld kon. Deze afstand tot de dorpskern zorgde ervoor dat we zeer langzaam in de kleine leefgemeenschap werden opgenomen.

Geschreven door Jan Reijnen.

Meer informatie: www.de-tuut.nl

alle activiteiten